|
Het ontstaan van de Bokkenrijders-beweging
Het verhaal van het “fenomeen” Bokkenrijders kadert in de politieke en sociaal-maatschappelijke context van de 18de eeuw. In het begin van de 18de eeuw woedde er de Spaanse Successieoorlog en nadien kwamen in onze contreien de Oostenrijkers. Zij zorgden voor indringende veranderingen. Wellen was een onderdeel van het oude land van Loon onder de voogdij van het prinsbisdom Luik. Doordat het prinsbisdom Luik “neutraal” stond, kende de regio enorme nadelen. Deze vooral ten nadele van de boerenbevolking. Plunderingen door ronddolende soldaten, vernielingen van de oogsten, onschuldige slachtoffers, ... Het grote kapitaal zat natuurlijk bij de kasteelheren, de grootgrondbezitters, de adel en de clerus. Het merendeel van de bevolking moest hard zwoegen en lang werken in ruil voor een karig loon. Het weinige dat ze konden verdienen en vergaren werd hen dan nog van vreemde soldaten en avonturiers op onrechtmatige wijze ontnomen. Zo moest de autochtone bevolking noodgedwongen zelf gaan stelen. Hieruit ontstond op deze voedingsbodem de beweging van de Bokkenrijders.
Wellen is het symbool geworden van de Bokkenrijders. In Zuid-Limburg is rechtstreeks het gevolg van het harde optrede van de rechterlijke macht. De wereldlijke heer van Wellen was immers de abdis van Munsterbilzen. Hij was de clerus tegen wie de Bokkenrijders hard van leer trokken.
De activiteiten waren in geen enkel opzicht goed te keuren. Ze roofden en plunderden uit pure noodzaak om te overleven. Het gevreesde handelsmerk van de Bokkenrijders waren de brandbrieven die zij verstuurden. Met deze brieven dreigden ze met brand én moord tenzij de bedreigde een zekere som aan de afzender overmaakte. Deze brief ondertekenden ze met het kenmerk “de bokkenpoot”. Ze waren echter minder crimineel en wreed dan lange tijd en algemeen aangenomen werd.
De Bokkenrijders “zweefden” ’s nachts op bokken door de lucht. Het is een vertrouwde voorstelling uit het volksgeloof bij de Germaanse volkeren waarbij demonen in een dierlijke gedaante in een storm door de lucht raasden. In het christendom werden deze demonen assistenten van de duivel genoemd.
In Wellen werden de vonnissen (1774-1776) van de 27 ter dood veroordeelde Bokkenrijders uit Wellen voltrokken op twee plaatsen. Ofwel in Munsterbilzen, ofwel in de Bonderkuil te Wellen. Negentien slachtoffers werden gewurgd aan een paal of staak, vijf personen werden levend verbrand, twee geradbraakt en één onthoofd. Achteraf werden de levenloze lichamen verbrand
Bonderkuil
Van juni 16 juni 1774 tot 5 februari 1776 werden 36 Bokkenrijders uit Haspengouw veroordeeld waarvan 31 Wellenaars. 27 hiervan werden terechtgesteld, 2 stierven in de cel, 1 ontsnapte en een ander werd vrijgelaten
In de Bonderkuil, op de grens van Kortessem en Alken, vonden de gruwelijke terechtstellingen van 19 Wellense Bokkenrijders plaats:

- 1 werd onthoofd met de bijl; - 12 werden aan de paal gewurgd en nadien verbrand; - 5 werden levend verbrand; - 1 werd de handen afgehakt, geradbraakt en verbrand;
Onze-Lieve-Hereboom
Deze zomereik (grondgebied Kortessem) dateert van omstreeks 800 en is zowat de oudste boom van ons land. In vroegere tijden werden aan dergelijke bomen magische krachten toegeschreven. In 1859 werd deze boom na een hevige herfststorm doormidden gescheurd. Men heeft toen een nieuwe boom geplant, die enkele meters verderop staat. De Onze-Lieve-Hereboom is nog een levende getuige van de Bokkenrijdershistorie van Wellen en omgeving.

Hier kwamen de Bokkenrijders samen om te vergaderen en het was tevens het vertrekpunt voor hun plunderingen en brandstichtingen.
Hoeve Corfs
Op 4 november 1773 tussen 7 en 8 uur ’s avonds, brandde de hoeve van Jan Corfs af. Hij had enkele dagen voordien een brandbrief ontvangen met de eis de astronomische som van vierhonderd gulden (of destijds vier jaarlonen) te betalen, wat hij niet deed. Vermoedelijk om Jan Corfs af te schrikken, staken de afpersers een hooimijt in brand die zich dichtbij het huis bevond. Het vuur sloeg echter onbedoeld over naar het strodak van de woning, zodat de hoeve volledig afbrandde

Nadien werden hier nog twee brandbrieven gelegd. De hoeve werd heropgebouwd en bevat nog elementen vanuit de achttiende eeuw. Het afbranden van het oorspronkelijke huis was de zwaarste misdaad van de “Wellense Bokkenrijders”.
Hoeve Wouters
Deze hoeve, gelegen op het Dorpsplein met huisnummer 15, was in 1774 eigendom van Jan Wouters. Het was hier dat “Bokkenrijder” Jan Van Muysen op 2 januari 1774 een brandbrief legde. Die brandbrief werd de belangrijkste en beruchtste van de hele Bokkenrijdersgeschiedenis. Die brief bevat van alle brandbrieven ooit gelegd, de enige verwijzing naar de naam “Bokkenrijders”. In de brief stond, “ de duivel jaagt ons… Nu kunt gij weeten hoe de Bockereijders leven; door duivels ingegeven, regeeren wij”.

Achteraf werd er door Van Muysen nog een tweede brandbrief gelegd aan deze hoeve. Evenwel zonder het woord “Bokkenrijders” nog te gebruiken.
De Pluim
Herberg De Pluim, ongeveer gelegen waar nu versmarkt GMG gesitueerd is, was ten tijde van de Bokkenrijders ook een plaats waar plannen gesmeed werden voor het leggen van de brandbrieven. De herberg werd uitgebaat door Katrien Billen, echtgenote van klompenmaker Jan Lycops, één van de spilfiguren van de Bokkenrijders. Jan Lycops werd op 1 augustus 1774 in Munsterbilzen terechtgesteld omdat hij 3 brandbrieven had gelegd.

Zijn echtgenote Katrien Billen werd op 17 augustus 1775 in de Bonderkuil ter dood gebracht door de paalwurging. Zij werd beschuldigd van hostieontering en heiligschennis. Zij bakte een koek met daarin meel, eieren en hosties verwerkt. Dan moesten, volgens de getuigen in het proces, de Bokkenrijders de koek opeten in “duivels naam”.
|